Behandelingsrichtlijnen

Een praktijkkader voor de behandeling en het beheer van AAV-patiënten.1

Behandelingstraject


AAV is een langdurige aandoening met recidiverend verloop
waarvoor een langdurige immunosuppressieve therapie vereist is2-10

  • Orgaan- of levensbedreigende ziekte

  • Remissie
  • Relaps
  • Refractair
 

Een evenwichtige behandeling


De behandeling moet de controle van vasculitis in evenwicht brengen met het minimaliseren van de schade als gevolg van de behandeling1–4

Zowel bij de eerste de AAV-diagnose als bij een relaps zijn de belangrijkste zorgen rond de behandeling het beheersen van de vasculitisactiviteit en het minimaliseren van de acute bijwerkingen van de therapie.1,2

Na het bereiken van remissie zijn cumulatieve orgaanschade, vaak gerelateerd aan de langdurige toediening van lage doses glucocorticoïden, en de ervaringen van de patiënt belangrijker.1-4

De EULAR en de ERA-EDTA bevelen verschillende behandelingscombinaties aan voor twee gradaties van ernst van de ziekte (orgaan- of levensbedreigende AAV en niet-orgaanbedreigende AAV) die bij AAV optreden.1

Reële gegevens bevestigen dat de initiële remissie-inductietherapie varieert afhankelijk van de ernst van de ziekte, hoewel glucocorticoïden vaak worden gebruikt in alle gradaties:5*†

Orgaan- of levensbedreigende AAV
- Ernstig: 72.4% cyclofosfamide, 28,4% rituximab en 86,8% glucocorticoïden
- Matig: 49.4% cyclofosfamide, 29,6% rituximab en 80,4% glucocorticoïden

Niet-orgaanbedreigende AAV
- Licht: 23.2% cyclofosfamide, 26,1% rituximab, 69,6% glucocorticoïden, 13,8% methotrexaat, 8% mycofenolaatmofetil en 8% azathioprine

Artsen die patiënten met AAV behandelen, moeten hun behandelingsaanpak bepalen op basis van een beoordeling van de ernst van de ziekte. Ze moeten daarbij een evenwicht vinden om snel remissie te bereiken maar tegelijk de ongewenste bijwerkingen van de therapie te vermijden.1-5

De behandelingsbeslissingen bij recidiverende patiënten zijn doorgaans zeer moeilijk, omdat deze zich aanbieden met acute vasculitis en chronische orgaanschade als gevolg van de vasculitis en de langdurige toediening van glucocorticoïden.1,2

Verschillende artsen staan in voor de behandeling van patiënten met een verschillend type (MPA (microscopische polyangiïtis) of GPA (Granulomatose met polyangiïtis vroeger 'ziekte van Wegener' genoemd)), ernst en frequentie van nierbetrokkenheid. Reumatologen, nefrologen en andere specialisten worden daarbij geconfronteerd met verschillende klinische uitdagingen.6

Meer informatie

AAV-gevallen volgens klinische specialisatie6‡

Een retrospectief onderzoek bij AAV-patiënten die zich tussen juni 2002 en juli 2011 in de afdeling reumatologie (n=15) of nefrologie (n=30) van hetzelfde ziekenhuis aanboden. Het nefrologiepatiëntencohort was ouder en had een hogere gemiddelde BVAS-score en een mediane ANCA-titer.

Het cohort van reumapatiënten vertoonde vaker pneumologische, neurologische, KNO- en oculaire symptomen.

De inductietherapieën varieerden tussen de cohorten. De verdeling was meestal als volgt:

– Reumapatiënten: orale corticosteroïden (73%) en methotrexaat (60%)

– Nefrologiepatiënten: intraveneuze en orale corticosteroïden (93%) en cyclofosfamide (90%)

Methotrexaat is gecontra-indiceerd bij patiënten met een significante nierinsufficiëntie, wat tot uiting kwam in de keuze van de inductiebehandeling die bij de twee onderzochte groepen werd gebruikt.6,7

• 53% van de reumapatiënten en 30% van de nefrologiepatiënten die een inductietherapie ondergingen, kende een relaps.

• Bij de nefrologiepatiënten was er een hogere complicatiegraad, onder andere infecties, maligniteit en mortaliteit.

• AAV is een heterogene ziekte die door de twee verschillende medische disciplines verschillend wordt aangepakt. Interdisciplinaire communicatie en samenwerking zijn essentieel voor een succesvol beheer van de ziekte.

Meer informatie

Literatuur en voetnoten